Regelmatig doet zich de vraag voor wie de rechthebbende (intellectueel eigendom) van een werk of uitvinding is als een student dit binnen de beroepspraktijkvorming (BPV) heeft ontwikkeld. In het antwoord hieronder wordt een onderscheid gemaakt tussen de Auteurswet 1912 (bescherming van een werk) en de Rijksoctrooiwet 1995 (bescherming van een technische uitvinding). Onderstaand antwoord beperkt zich daarom tot die twee onderwerpen van het intellectueel eigendom.

Auteurswet 1912

Op grond van artikel 1 van de Auteurswet 1912 komt het auteursrecht toe aan de maker van een werk. Onder een werk verstaat de wet onder andere een boek, brochure, mondelinge voordracht, bouwwerk, filmwerk of een computerprogramma. Op grond van dit artikel ligt het auteursrecht bij de stagiair. Maar de wet heeft op dit uitgangspunt een aantal uitzonderingen.

  • Het auteursrecht komt een ander toe als het werk tot stand is gebracht naar het ontwerp van een ander en onder diens leiding en toezicht is gemaakt. Indien het leerbedrijf de kaders van een ontwerp aangeeft, komt het auteursrecht het leerbedrijf toe, omdat het de leiding heeft over een stagiair;
  • Het auteursrecht komt het leerbedrijf toe als de maker het werk in dienst van het leerbedrijf heeft verricht (werkgeversauteursrecht). En omdat een BBL-student een arbeidsovereenkomst heeft met het leerbedrijf, komt het auteursrecht aan de werkgever toe.

Het auteursrecht kan bij uitzondering aan de BOL-stagiair toekomen als deze zelfstandig zaken ontwikkelt en uitvoert zonder een substantiële inbreng van het leerbedrijf, en omdat hij geen dienstverband heeft.

Rijksoctrooiwet 1995

Op grond van artikel 8 van de Rijksoctrooiwet 1995 wordt de aanvrager van een octrooi als de uitvinder van een uitvinding beschouwd. Net als de Auteurswet 1912 kent de Rijksoctrooiwet een aantal uitzonderingen. In artikel 12 lid 2 van de wet is het volgende bepaald: indien de uitvinding waarvoor octrooi wordt aangevraagd is gedaan door iemand die in het kader van een opleiding bij een ander werkzaamheden verricht, de aanspraak op het octrooi toekomt aan die ander, ofwel het leerbedrijf. Tenzij de uitvinding geen verband houdt met het onderwerp van de werkzaamheden. Hiervan kan bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken. De Rijksoctrooiwet is wat betreft een uitvinding van een stagiair derhalve explicieter dan de Auteurswet 1912. Indien de uitvinding waarvoor octrooi wordt aangevraagd is gedaan door een BBL-student, komt het octrooi aan het leerbedrijf toe in zijn hoedanigheid als werkgever (artikel 12 lid 1).

     
ROC Nijmegen gebruikt cookies (en andere technieken) en verzamelt daarmee informatie over het gebruik van de website onder andere om deze te analyseren en te verbeterenOK, sluiten